×

Fout

"Could not resolve host: query.yahooapis.com" in module "mod_kweather"

"Could not resolve host: query.yahooapis.com" in module "mod_kweather"

"Could not resolve host: query.yahooapis.com" in module "mod_kweather"

"Could not resolve host: query.yahooapis.com" in module "mod_kweather"

 

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

A

Aardschijn: zie asgrauw schijnsel.
Aberratie:
is het verschil tussen schijnbare en werkelijke richting van een ster. (wordt ook gebruikt bij lensfouten).
Abiogenese:
is het (hypothetisch) ontstaan van leven uit niet-levende materie.
Absolute helderheid:
van een ster is de helderheid die de ster zou hebben wanneer hij op een afstand van 10 parsec zou staan.
Absoluut nulpunt:
is de temperatuur waarop de beweging van alle atomen en moleculen stopt en er geen warmte meer afgegeven wordt. Het absolute nulpunt wordt bereikt op 0 graden Kelvin of -273 graden Celcius.
Accretie:
het proces waarbij materie samentrekt zodat uit veel kleine deeltjes een aantal grote ontstaan. Sterren en planeten zouden zo kunnen ontstaan.
Achondriet: is een steenachtige meteoriet die planetair materiaal bevat.
Actief sterrenstelsel: is een verzamelbegrip voor verschillende typen sterrenstelsels waarbij in het centrum een zeer klein gebied zeer veel energie vrijgeeft. Dit gebied noemt men de Active Galactic Nucleus (AGN). Deze stelsels geven vaak helderheidsveranderingen binnen uren of dagen.
Active Galactic Nucleus (AGN): zie actief sterrenstelsel.
AE Astronomische Eenheid: de afstand van de Aarde tot de Zon, 149.7 miljoen kilometer.
Aerobraking:
is een methode om een ruimtevaartuig in een bepaalde baan om een hemellichaam te brengen d.m.v. atmosferische wrijving.
Airy-schijf:
is een schijfvormige afbeelding zoals die door een optisch systeem van een puntvormige lichtbron ( ster) gemaakt wordt. Door diffractie (afbuiging van een lichtgolf) ontstaat i.p.v. een punt een patroon van een centrale vlek omgeven door concentrische cirkels. De Airy-schijf is de beperkende factor in het oplossend vermogen van bijv. telescopen, waar bij visuele waarnemingen de maximale vergroting 2x per mm. van het objectief is.
Albedo:
is het lichtweerkaatsend vermogen, bijv. van een planeet. Het is de verhouding tussen de gereflecteerde straling en de inkomende straling. Deze verhouding hangt in de eerste plaats af van de golflengte van het licht. Het weerkaatsend vermogen van sneeuw nadert 90%. De Aarde heeft een albedo van 37%, de Maan 7% en Saturnus’ maan Enceladus (helderste in ons zonnestelsel) 90%.
Aldebaran: is Arabisch voor ‘hij die volgt’. (Hij achtervolgt de Pleiaden).
Amplitude: Het verschil in helderheid tussen het maximum (helderst) en het minimum van sterren.
Analemma: is een curve aan de hemelbol, waarmee de positie van een bepaald hemellichaam wordt beschreven op een vast moment van de dag. Op Aarde heeft het analemma van de Zon de vorm van een acht.
Ångström: is een eenheid van lengte.
Anisotroop: als de eigenschappen van een materiaal wel van de richting afhangen, bijv. gewalste metalen of houtnerven.
Anamolie: is een feit of verschijnsel of tegenspraak in een theorie die binnen een bepaald model of paradigma niet verklaard kan worden. (E. Kant).
Antapex:
zie apex.
Antares: ster (alpha Scorpi) ant-ares = tegenhanger van Mars.
Antropisch principe: (antropos=mens) is het idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens zijn en de eigenschappen van het heelal.
Apertuur: betekent letterlijk opening. Diameter van bijv. een telescoop.
Apex: het apex van bijvoorbeeld de Zon is het punt aan de hemelbol, dat de richting aangeeft van de schijnbare beweging van de Zon ten opzichte van de dichtstbijzijnde sterren en van de interstellaire materie. Deze ligt in Hercules. Het vluchtpunt daar recht tegenover heet antapex.
Aphelium: Het verst gelegen punt van een planeet in haar baan om de Zon. Apo = veraf en Helios = Zon (Grieks)
APO:
apochromatische lens – een lenscombinatie die chromatische aberraties corrigeert voor drie golflengten van het licht.
Apside of apsis:
is één van de twee extreme punten van de elliptische baan van een hemellichaam, ofwel het punt dat het dichtste bij het omcirkelde object ligt, ofwel het punt dat het verst van het object ligt.
Arachnoïden:
is een vulkaan met een centrale inzinking, omgeven door een opstaande ring met uitstralende richels en valleien.
Archeoastronomie:
is de studie van antieke of traditionele astronomieën in hun culturele context en steunend op archeologische en antropologische (gedragswetenschap) bewijzen. Bijv. Stonehenge en de piramiden in Egypte.
ARGB: Asymptotic Red Giant Branch.
Armillarium: is een hemelbol voorzien van metalen ringen die de belangrijkste cirkels van de hemel voorstellen. Uitgevonden in 225 v.Chr.
Arografisch: is de beschrijving van Mars.
Asgrauw schijnsel: het licht van de Zon beschijnt de Maan en geeft de smalle sikkel. Het zonlicht wat op de Aarde schijnt, wordt gereflecteerd, door de Maan opgevangen en wederom gereflecteerd. Wij zien dat op de Aarde als asgrauw schijnsel. Het is met het blote oog waarneembaar als de maansikkel niet te groot is.
Asterisme: klein sterrenpatroon binnen een sterrenbeeld, zoals de steelpan in de Grote Beer of de kleerhanger in Vosje.
Asteroïde: Een stuk rots of ijs dat in een baan om de Zon draait.
Astigmatisme: is een optische afwijking.
Astrochemie/kosmochemie: kernfusie in o.a. sterren.
Astrodynamica:
hemeldynamica. Is het deelgebied van de sterrenkunde dat zich bezighoudt met de beweging van hemellichamen, raketten en ruimtesondes.
Astro-embleem: zie cryptokrater.
Astrofysica: specifiek het deel van de astronomie dat de processen die zich afspelen in sterren probeert te verklaren met natuurkundige wetten en meer in het algemeen; de processen die in het heelal waarneembaar zijn probeert te verklaren.
Astrometrie: (plasmafysica) is een deelgebied van de astronomie en behandelt de posities van sterren en andere hemellichamen, hun afstanden en bewegingen.
ASTRON: ASTRonomisch Onderzoek in Nederland, is een instituut voor radioastronomie, een organisatie die zich bezig houdt met onderzoek en ontwikkeling op astronomisch gebied.
Astronomie: sterrenkunde of hemelskunde.
De wetenschap van de in het heelal aanwezige materie, de bewegingen, het ontstaan en de natuurkundige samenstelling ervan.
Astronomische dubbelster: één van de twee componenten is onzichtbaar.
Astronomische Eenheid: AE, de gemiddelde afstand van de Aarde tot de Zon. 149,7 miljoen kilometer. 1 Lichtjaar = 63.241 AE.
Asymptoot: (Grieks: niet samenvallen) wiskundige term wordt gebruikt als hulpmiddel bij het tekenen van grafieken.
Aten-planetoide:
hebben een baan die grotendeels binnen de aardbaan liggen en deze van binnenuit kruisen.
ATM: Amature Telescope Makers.
Atoom: een atoom is van ieder scheikundig element de kleinste nog als zodanig herkenbare bouwsteen. Een atoom bestaat weer uit quarks. Ze zijn de bouwstenen van moleculen. De atoom bestaat uit een uiterst kleine, positief geladen atoomkern die is opgebouwd uit protonen en neutronen met daaromheen een wolk van negatief geladen elektronen.
Atoom fysica: bestuderen de eigenschappen van atomen als geheel.
Azimut: = een hemelcoördinaat.

B

Ballistische vlucht: van een object wil zeggen dat het object gedurende de vlucht passief is en niet actief bijdraagt aan zijn beweging.
Barycentrum:
is het gemeenschappelijk zwaartepunt van twee lichamen die om elkaar heen draaien. Zo ook bij de Aarde en Maan, maar de Aarde is 81x zo zwaar dus ligt het barycentrum ín de Aarde.
Baryonen:
zijn samengestelde subatomaire deeltjes die bestaan uit drie quarks. Baryon is Grieks voor zwaar.
Baryonische materie:
is de verzamelnaam voor de protonen en neutronen in de kernen van alle atomen.
Beeldveldwelving:
maar een deel van het beeld is scherp.
Benedenconjunctie:
de binnenplaneten staan het dichtst bij. De planeet staat tussen de Zon en de Aarde. (kan dus alleen bij Mercurius en Venus)
Bijschaduw:
zie kernschaduw.
Bijzon: Sundog (eng) zie parhelische ring.
Binnenplaneten: Planeten binnen de Aardbaan; Mercurius en Venus.
Blauwe Maan:
als er twee keer in dezelfde maand een volle Maan optreedt wordt de tweede volle Maan een blauwe Maan genoemd. Dit gebeurt om de 2 á 3 jaar.
Blauwverschuiving:
beweegt een ster naar ons toe dan verkorten de golflengten van het licht en kleuren blauw.
BOC-lijst: Bright Object Catalogue.
Bolide: is een exploderende meteoriet.
Bolometrische correctie: van een ster is een correctie die wordt toegepast op de absolute visuele magnitude. Deze laatste houdt immers geen rekening met de hoeveelheid straling in het visuele golflengte gebied. De magnitude die rekening houdt met alle golflengten is de bolometrische magnitude.
Bolvormige sterrenhoop:
door de zwaartekracht gebonden sterrenhopen van enkele duizenden sterren, die verspreid liggen binnen een Melkweg.
Bolwolk (of bokglobule): is een donkere, dichte plaats wolk van stof en gas waar stervorming plaatsvindt. Ze worden aangetroffen in H-II gebieden en leiden meestal tot vorming van dubbel- of meervoudige sterren. Ze zijn relatief “klein”.
Booggraad: is een hoekmaat en kan worden ingedeeld in 60 boogminuten ('), die elk weer 60 boogseconden (") bevatten. Eén booggraad bevat dus 3600 boogseconden. Eén uur rechte klimming komt overeen met 15 booggraden.
Boogseconde:
(“) is een hoekmaat, overeenkomstig met het zestigste deel van een boogminuut (‘). Eén graad bevat 3600 boogseconden.
Bovenconjunctie: de afstand tussen de binnenplaneten en Aarde is het grootst. Vanaf de Aarde gezien, achter de Zon.
Brennschluss: is de door Werner von Braun gebruikte benaming voor het moment waarop een raketmotor wordt uitgeschakeld, zodat de raket in vrije val verder gaat.
Brownse beweging: is dat zeer kleine deeltjes onderhevig zijn aan botsingen met talloze moleculen van het gas of de vloeistof waarin ze zweven. Bijv. in de turbulentie van rook kun je het zien.
Bruine dwerg: is een gasvormig object dat het midden houdt tussen een planeet en een ster en dat te weinig massa heeft om inwendige waterstofreacties te ontketenen.
Buckyballs: zijn moleculen, bestaande uit 60 koolstofatomen, die een bolletje vormen.
Buitenplaneten: planeten buiten de planetoïdengordel.

C

c van E=mc²: staat voor celeritas, Latijn voor snelheid.
CAI:
Calcium-Aluminiumrijke Insluitsels, zij behoren tot de ooudste objecten in ons zonnestelsel. Zij zijn enkele milimeters groot en waarschijnlijk ontstaan in de tijd dat de eerste vaste stoffen condeseerden uit de restanten van de gasnevel waaruit de Zon werd geboren. Het zijn kleine bolletjes in een meteoriet.
Caldeira:
is een grote komvormige krater, gevormd door vulkanische activiteit wanneer het “dak” van de magmakamer niet meer ondersteund wordt.
Casimir-effect: is het natuurkundig verschijnsel dat twee bij elkaar geplaatste metalen platen in een vacuüm door kwantumfluctuaties (zeer geringe) krachten ondervinden die ze naar elkaar toe drijven.
Cataclysmische variabelen:
zijn nauwe dubbelsterren, waarin een uitwisseling van massa plaats vindt. Hieronder vallen novae en dwergnovae.
Catena:
is een rij inslagkraters op een hemellichaam. (catena is Latijn voor ketting) dus kraterketen.
CCD Charged Coupled Devices: elektronische detectors (digitale camera’s).
Centaur-planetoïden: zijn planetoïden die grotendeels uit ijs bestaan en om de Zon draaien tussen de banen van Jupiter en Neptunus.
Cepheïde:
zijn veranderlijke sterren.
Chandrasekhar-limiet:
is de massagrens die bepaalt of een instortende ster een witte dwerg wordt of een exotischer object zoals een zwart gat. Sterren waarvan de nucleaire brandstof is “opgebrand” zullen ten gevolge van de zwaartekracht instorten. De Chandrasekhar-limiet is 1.4 zonmassa’s. Bij een massa kleiner dan 1.4 zonmassa wordt hij een witte dwerg. Bij een grotere massa een neutronenster en dan een zwart gat.
Chasma:
is een diepe, lange kloof.
Chemische binding: is een aantrekkende kracht tussen twee atomen.
Circumpolair: sterren gaan niet op of onder, zij beschrijven een cirkel rond de hemelpool. De volgende sterrenbeelden zijn circumpolair: Draak, Giraffe, Cepheus, Andromeda, Cassiopeia, Grote Beer en Kleine Beer.
Circumzenitale boog: zie parhelische ring
Clean Split: als je bij een dubbelsterwaarneming de scheiding tussen de twee ziet.
Cluster: is een groep van sterrenstelsels die door onderlinge zwaartekracht bij elkaar wordt gehouden. Een cluster kan tientallen tot 1000 sterrenstelsels bevatten. Clusters kleiner dan 50 stelsels worden “groepen” genoemd, bijv. Lokale Groep.
CME: Coronale Massa Ejecties (zonne-uitbarstingen)
Collimatie: het uilijnen van de optische delen van een telescoop.
Coma: beeldfout, kan zowel bij lenzen- als spiegeloptiek optreden. Door coma worden beeldpunten niet puntvormig maar komeetvormig afgebeeld.
Compatibilisme: de visie dat vrije wil en determinisme met elkaar verenigbaar zijn.
Compton-effect: is eigelijk een botsing van één foton met een "vrij" elektron.
Conductie:
is de overdracht van warmte (of elektriciteit) binnen een materiaal. Materialen die goed warmte of elektriciteit geleiden heten conductoren.
Conjunctie: = samenstand. Als twee hemellichamen vanaf de Aarde in dezelfde richting staan.
Zie boven- en benedenconjunctie.
Constellaties: ook wel zodiak of dierenriem. De Zon beweegt in een jaar door de constellaties (Ram, Leeuw, Stier e.d.) in een volledige cirkel.
Contact-dubbelster: de sterren raken elkaar letterlijk. De zware ster draagt massa over aan de lichte ster.
Convectie: is de stroming van gas of vloeistof. Deze stroming kan plaats vinden onder invloed van onder meer verschillen in temperatuur, druk of dichtheid.
Corona: de hete atmosfeer rondom de Zon die zich uitstrekt over vele kilometers. De temperatuur van de corona is vele graden hoger dan die van het zichtbare oppervlak van de Zon.
Coronagraaf: is een instrument waarmee het felle licht van heldere sterren kan worden afgedekt zodat naar zwakkere objecten in de directe omgeving ervan gezocht kan worden.
Correspondentieprincipe: het idee dat voorspellingen van een nieuwe theorie overeen moet komen met de theorie die het vervangt wanneer de oude theorie zijn juistheid heeft aangetoond, voor het eerst gebruikt door Niels Bohr.
Covalente binding: of atoombinding is een binding tussen atomen waarin de atomen één of meer gemeenschappelijke elektronenparen hebben. Bij vorming van een covalente binding komt energie vrij. 
Cruithne: is één van de 4 planetoïden die zijn baan deelt met de Aarde, maar niet zoals een Trojaan. Hij heeft dezelfde omlooptijd als de Aarde en een zwaartekrachtsrelatie.
Cryptokrater: is een restant van een inslagkrater die zijn typische vormkenmerken heeft verloren door erosie of sedimentatie.
Culmineren: is het hoogste punt bereiken van een hemellichaam tijdens zijn dagelijkse omloop, het staat dan precies boven de meridiaan.

D

Darische kalender: is een tijdrekening voor gebruik op Mars.
Dawes limiet:
is de theoretische limiet van een telescoop in boogseconden in het onderscheiden van een dubbelster-paar (scheidend vermogen).
Declinatie:
is de hoekafstand van een hemellichaam ten opzichte van het noorden of ten zuiden van de hemelequator (= per definitie 0). De grootte van de declinatie wordt aangegeven in booggraden, boogminuten en boogseconden. Een object dat op de positie van een hemelpool staat is 90 graden.
Deepsky object:
is een aanduiding voor die objecten die geen ster of planeet zijn en die zich ver buiten ons Melkwegstelsel bevinden. Met name melkwegstelsels, sterrenhopen, nevels en gaswolken.
Determinisme: is een filosofisch concept dat stelt dat elke gebeurtenis of stand van zaken veroorzaakt is door eerdere gebeurtenissen volgens de oorzakelijkheids wetten die de wereld regelen en beheersen.
Deuterium: is nog een vorm van waterstof omdat er maar één proton in de kern zit. Het is een isotoop van waterstof.
Dichotomie:
tweedeling, bijv. tussen de twee halfronden op Mars.
Dichtheid: de hoeveelheid materie binnen een gegeven volume. De dichtheid wordt gemeten in gram per cm3.
Dierenriem:
zie constellaties.
Differentiële rotatie: is het verschijnsel bij grote gasachtige lichamen, zoals de Zon of Jupiter, Saturnus en Neptunus, dat het gas aan de polen langzamer roteert dan aan de evenaar. Ook sterrenstelsels vertonen dit.
Diffuse nevel: is een nevel van interstellaire materie. Hiertoe behoren emissie, reflectie en absorptienevels. Bijv. Orionnevel (M42).
Dipool: (Grieks di=2) is een object met 2 polen, 2 uiteinden met tegengestelde polariteit.
Dissociatieve recombinatie: is een chemische reactie waarbij een positief geladen molecuul na het opnemen van een elektron uit elkaar valt.
Dizuurstof: of moleculaire zuurstof is de belangrijkste enkelvoudige stof van het element zuurstof.
Dolers: ook wel dwaalster, ander woord voor planeten.
Donkere nevels: stofwolken die het licht van andere bronnen blokkeert. Hoge gas- en stofdichtheid.
Donkere materie:
is materie in het heelal, die niet zichtbaar is met optische middelen en dus niet te detecteren via de elektromagnetische straling die ons op Aarde bereikt.
Donker melkwegstelsel:
is een object ter grootte van een melkwegstelsel waarin enkele tot geen sterren te vinden zijn. Een donker sterrenstelsel kan bestaan uit gassen, stof of donkere materie.
Doppler-effect:
is de waargenomen verandering van frequentie van geluid, licht of andere golfverschijnselen, door een snelheidsverschil tussen de zender en de ontvanger. Zie ook blauw- en roodverschuiving.
Draai-impulsmoment: is een maat voor de hoeveelheid rotatie-energie van een planeet; de waarde is groter wanneer een planeet een grotere middellijn heeft, een grotere massa heeft of sneller roteert.
DST: Daylight Saving Time. (zomertijd).
Dubbelster: zijn een tweetal sterren die om elkaar heen bewegen. Bij drie of meer spreekt men van meervoudige sterren. Er zijn 5 verschijningsvormen van dubbelsterren; astronomische-, fysische-, optische-, spectroscopische-, en eclips of bedekkingsveranderlijke dubbelsterren.
Dwergnovae: hebben plotselinge uitbarstingen van 2 tot 6 magnitudes, waartussen tientallen tot honderden dagen zitten, waarin ze hun normale minimale magnitude hebben.
Dysonbol: is een hypothetische megastructuur. Deze bol zou bestaan uit een systeem van rond een ster draaiende satellieten, die alle energie van deze ster zouden opvangen.

E

Eclips: verduistering. Zonsverduistering; Maan schuift voor de Zon, Maansverduistering; Maan komt in de schaduw van de Aarde.
Eclips- of bedekkingsveranderlijke dubbelster: als de ene ster voor de andere langs schuift.
Ecliptica:
is het baanvlak van de Zon.
ED: Extra Dispersive, vaak een kort brandpuntsafstand en betere kleurcorrectie bij telescopen.
Eddingtonlimiet: (lichtkracht) is de maximale lichtkracht die een gas in hydrostatisch evenwicht kan hebben. Wanneer een object een lichtkracht heeft die groter is dan deze waarde, krijgt de stralingsdruk de overhand over de gasdruk en wordt de ster uit elkaar geblazen.
E-ELT: European Extreme Large Telescope, komt in Chili in 2018 met een middellijn van 42 meter.
Efemeriden: zijn tabellen die de posities aangeven van een hemellichaam dat zich langs de
hemel beweegt, bijv. de Zon en de Maan.
Einstein-vergelijking:
is een wiskundige uitdrukking van Einsteins gehele relativiteitstheorie.
Elektromagnetische straling:
is de voortplanting door de ruimte van elektrische en magnetische oscillaties (trillingen). Licht is een vorm van elektromagnetische straling. Alle
soorten e.m.-straling hebben in het vacuüm een snelheid gelijk aan de lichtsnelheid.
Elektron:
is een negatief geladen elementair deeltje, dat gebonden kan zijn (bijv. in een atoom) of zich vrij in de ruimte bevindt.
Elektrozwak:
is een verenigde kracht die bestaat uit de zwakke kernkracht en elektromagnetisme.
Elementaire deeltje:
is een deeltje dat niet te splitsen valt in andere deeltjes.
Elliptisch sterrenstelsel:
is een stelsel dat de vorm heeft van een ellips (bol- tot lensvormig) en geen spiraalarmen vertoont.
Elongatie:
= hoekafstand (in graden). Wanneer een planeet zijn grootste westelijke elongatie heeft bereikt staat de planeet zo ver mogelijk ten westen van de Zon. De planeet komt vóór de Zon op. Hij is nu ochtendster. Idem voor oostelijke elongatie; hij gaat in het westen na de Zon onder en is nu Avondster.
Emissie: treedt op wanneer een elektron uit aangeslagen toestand weer terugvalt. Dan treedt emissie op in de vorm van  elektromagnetische straling. (emissie is dus het omgekeerde van excitatie)
Emissienevel:
gaswolk met hoge temperatuur. De energie komt van nabij gelegen sterren.
Entropie: is een belangrijke term in de thermodynamica. Het is de maat voor de wanorde of de ontaarding in een systeem.
Epicykles: zijn hulpcirkels, bedoeld om de schijnbare bewegingen van de planeten aan het hemelgewelf te kunnen verklaren. Pas door de wetten van Kepler waren epicykels niet meer nodig.
Epoche: is een bepaalde tijdsperiode waarin de hemelcoördinaten van een hemellichaam met voldoende nauwkeurigheid als constant kunnen worden beschouwd. Deze coördinaten veranderen namelijk door de precessie beweging van de Aarde en in geval van planeten e.a. objecten in ons zonnestelsel, ook nog eens door hun eigenbeweging. De standaard epoches schuiven per 50 jaar op door de verschuiving van de hemelpool. I.p.v. epoche wordt ook wel de term equinox gebruikt.
EPR-paradox: Einstein-Podolsky-Rosen, dit in verband met onder meer ‘tunneling’.
Equatoriale montering: een montering met een as die op één lijn staat met de rotatieas van de Aarde en een 2e as- de declinatieas- op 90º.
Equinox: De data waarop de winter over gaat in de zomer en omgekeerd. Dit valt samen met de momenten dat de aardas noch naar de Zon toe, noch af wijst. De Zon staat boven de evenaar. Dagen en nachten duren overal even lang.
ESA: European Space Agency ontstaan in 1975.
ESO: Europese Zuidelijke Sterrenwacht (catalogus).
eV: elektronvolt is een eenheid van energie die vooral gebruikt wordt in deeltjes-, atoom- en de vastestoffysica. Eén eV is de verandering die een vrij deeltje met een lading gelijk aan die van een elektron (de elementaire lading e) ondervindt wanneer het in een elektrisch veld een weg aflegt tussen twee punten die een onderling potentiaal verschil van 1 volt hebben. Elektronvolt heeft dezelfde dimensie als de joule.
Excentriciteit: de excentriciteit van de omloopbaan van een hemellichaam is de mate waarin een baan afwijkt van een cirkel.
Excitatie: is een natuurkundige term voor het verhuizen van een elektron van een schil naar een andere schil, die hoger in het energiespectrum ligt, binnen hetzelfde atoom.
Exoplaneten:
zijn planeten die draaien om andere sterren dan de Zon. Bijv. om Ogle en Gliesse.
Extra galactische deepsky objecten: objecten buiten onze Melkweg.

F

Fermiparadox: is een paradox waarin hoge schattingen voor de kans op het bestaan van buitenaards leven in schril contrast staan met het gebrek aan bewijs daarvoor.
Fonon:
is een gekwantiseerde collectieve trillingswiijze van een kristal. (toegepast in bijv. radio). Iedere trillingswijze kan afzonderlijk als een gekwantiseerd systeem worden beschouwd. Zo'n kwantum wordt fonon genoemd.
Fotodissociatie:
is een ontledingreactie waarbij een molecuul uit elkaar valt door het opnemen van een foton.
Fotolyse (=lichtsplitsing): is een chemische ontledingsreactie onder invloed van licht. Fotolyse is een onderdeel van o.a. fotosynthese.
Foton:
(photos = licht) lichtdeeltjes zijn een verschijningsvorm van e.m.-straling.
FoV:
field of view, het beeld wat je precies in het oculair/verrekijker o.i.d ziet.
Frauenhofer-lijn:
is één van de 574 donkere absorptielijnen in het spectrum van de Zon. Ook wel spectraallijn.
Fysica:
zie natuurkunde.
Fysische dubbelster: “echte” dubbelster. Als de sterren om een gemeenschappelijk zwaartepunt draaien (ze kunnen wel op grote afstand van elkaar staan).

G

Galactische deepsky objecten: zijn objecten binnen onze Melkweg.
Galileïsche manen:
zijn de vier grootste manen van Jupiter; Ganymedes, Callisto, Europa en Io.
Gammaflitsen/gamma-ray bursts (GRB): is onzichtbare elektromagnetische straling met een hogere energie dan ultraviolet licht en röntgenstraling.
Gasreuzen:
Jupiter en Saturnus.
Gebonden rotatie: zie synchrone rotatie.
Gedegenereerde materie: ontstaat door de hoge temperatuur in de kern van een ster waarbij materie zo gecomprimeerd wordt dat de atoomkernen zo dicht op elkaar zitten dat de elektronen niet meet weten bij welke kern ze horen. De tegendruk van de materiedeeltjes wordt veroorzaakt door het uitsluitingsprincipe van Pauli.
Geen-haar-stelling: houdt in dat er een grote hoeveelheid informatie verloren gaat tijdens een gravitationele ineenstorting.
Gele dwerg: is een samengetrokken nevel die zich ontwikkelt heeft tot ster. (onze Zon). Hij eindigt als rode reus.
Geodesie: is de tak van wetenschap die zich met de meting en de vorm van de Aarde bezig houdt, haar zwaartekrachtveld en geodynamische fenomenen als poolbeweging, getijden en aardkorstbeweging in driedimensionale ruimte over tijd.
Gewicht: van een voorwerp is de kracht die de Aarde op een voorwerp uitoefent. Gewicht niet verwarren met massa. Gewicht is afhankelijk van de plaats en de hoogte te opzichte van het aardoppervlak. De weegschaal meet weliswaar het gewicht, maar is voorzien van een schaal waarop massa wordt afgelezen. Gewichtsloosheid betekent niet dat je geen massa meer hebt.
Gigajaar (Gjr. Eng. Gyr): is een tijdseenheid van 1 miljard (1.000.000.0000) jaar. Het is een tijdspanne, geen afstandsmaat.
G-kracht: is geen kracht, maar een versnelling die wordt uitgedrukt in de gravitatieversnelling. 1g is dus een versnelling gelijk aan de valversnelling.
Globulen: zijn “kleine” bolvormige wolken van gas en stof die aan het krimpen zijn. Ze hebben een doorsnee van 7.000 tot 10.000 AE. Ze zitten bijv. in de Rozettenevel (Mon) en er ontstaan nieuwe sterren uit.
GMT: Greenwich Mean Time.
Goldilockszone: zie habitable zone.
Golfunctie: de kwantumtoestand van een systeem. Omdat een subatomair deeltje niet strikt gelokaliseerd is, maar uitgespreid, moet men een deeltje dus niet beschrijven met een positievector maar een functie.
Googol:
is in de wiskunde een aanduiding van een getal met de waarde 10 tot de honderste macht. Googol is meer dan het aantal deeltjes in het bekende heelal. Zoekmachine Google is er naar vernoemd (met typefout) en bedacht door Carl Sagan.
Granulen: zijn kleine (toch nog 1000 km breed) cellulaire deeltjes die zich over het volledige zonneoppervlak bevinden, behalve op plaatsen die bedekt zijn met zonnevlekken.
Gravitatielens: zie zwaartekrachtlens.
Gravitatieveld: zie zwaartekrachtsveld.
Great Rift (Dark rift): is een serie van elkaar overlappende, niet oplichtende, moleculaire wolken die liggen tussen ons zonnestelsel en de Sagittarius-arm van de Melkweg. Met het blote oog lijkt het een donkere streep dat de heldere band van de Melkweg in de lengterichting splitst.
Green Belt: zie habitable zone.
Grote Wereldjaar: zie platonisch jaar.
GRV: GRS is de Grote Rode Vlek (Spot) op Jupiter.
GSO: Guan Seng Optics.
GUT: Grand Unification Theory, probeert de sterke- en zwakke kracht en elektromagnetisme te verenigen.

H

H II gebied: is een wolk van gloeiend gas, soms vele honderden lichtjaren in diameter, waarin stervorming plaats vind. H I is neutraal atomair waterstof en H2 is een waterstofmolecule.
Habitable Zone (HZ):
is het gebied dat niet te koud of te warm is. Hij strekt zich uit van 0.95 tot 1,37 AE van de Zon. (voorbij Venus en tot Mars).
Halfschaduw:
zie kernschaduw.
Halo:
is de min of meer bolvormige ruimte die een melkwegstelsel omsluit waarbinnen de zwaartekracht van het melkwegstelsel nog invloed uitoefent. In de halo bevinden zich bolvormige- en open sterrenhopen, maar ook losse sterren.
HD:
sterren waarvan de naam uit de letters HD en een nummer bestaan staan in de Henry Draper Catalogus.
Heliakische opgang:
eerste zichtbare opkomst van een ster aan de ochtendhemel.
Heliopauze:
is een plaats waar de zonnewind en het magnetisch veld van de Zon, botsen met het gas uit de interstellaire ruimte.
Herbig-Haro object:
is een protoster met ongeveer dezelfde massa als de Zon. Terwijl massa naar de ster toe stroomt, verlaat gelijktijdig massa de ster straalsgewijs langs de polen. Waar dit gas op het interstellaire gas botst ontstaan lichtende schokfronten.
Herdermanen:
zijn manen die door hun zwaartekracht de stofdeeltjes van een planetaire ring bij elkaar houden. Ook zorgen ze voor de scheiding van de ringen, delen van de ring die vrijwel stofvrij zijn. Bijv. Mimas en Pan bij de ringen van Saturnus, Ophelia en Cordelia bij Uranus.
Hertzsprung-Russeldiagram: (HRD) is een diagram waarin de absolute helderheid van sterren is uitgezet tegen hun spectraaltype (is een indeling van sterren op kleur en het spectrum van het uitgestraalde licht). Heldere sterren staan bovenin het diagram, zwakkere onderin. Hete sterren staan links, koele sterren staan rechts.
Heuristiek:
is de wetenschap, de leer of de kunst van het vinden. Bijv. een ezelsbrug.
Hoekmeting:
Grotere hoeken worden uitgedrukt in graden. Bijv. gestrekte arm met gesloten vuist is 10º. Uitgestrekte vingers (duim tot pink) is 20º, één vingertop is 1º. Kleinere hoeken (bijv. tussen dubbelsterren) worden uitgedrukt in boogminuten en boogseconden. Dit zijn geen echte afstanden, maar gezichtslijnen. De schijnbare diameter van de volle Maan is 30 boogminuten.
Hoofdreeks: is een smalle strook in het Hertzsprung-Russel-diagram waarop zich de meeste sterren bevinden. Sterren op de hoofdreeks worden ook wel dwergsterren genoemd; zij ontlenen hun energie aan de fusie van waterstof in helium. Een ster brengt het grootste deel van zijn leven door op de hoofdreeks, vandaar dat er zoveel hoofdreekssterren worden aangetroffen.
HR: sterren waarvan de naam uit de letters HR en een nummer bestaan staan in de Harvard Revised Catalogue of Bright Stars.
HST: Huble Space Telescoop.
HUDF = Hubble Ultra Deep Field:is een opname van een klein deel van de hemel in het sterrenbeeld Oven gemaakt door de Huble Space Telescoop. Deze opname is de diepste (langdurigste en verste) van de hemel die ooit gemaakt is.
Hyadengroep: is een groep van sterren die, gezien hun eigenbeweging, ontstaan moeten zijn uit de gaswolken die zich in de buurt van de sterrenhoop de Hyaden bevindt. Leden van die groep hoeven niet meer in de buurt van de Hyaden te staan.

I

IAU: Internationale Astronomische Unie; opgericht in 1919 in Brussel.
IC IndexCatalogus: is een lijst van nevelachtige objecten die in 1895 werd gepubliceerd als toevoeging op de NGC van Dreyer en bevat 5.000 objecten die allen een IC aanduiding hebben.
ICM-Interstellair Medium: is de term die gebruikt wordt om alle materie en energie die zich tussen de sterren in een sterrenstelsel bevindt aan te duiden.
ILT: International LOFAR Telescope.
Immersie: is bij het verdwijnen van een ster bij bedekking door de Maan, of van een satteliet  bij bedekking door de planeet.
Inch (“):
is gelijk aan 2.54 cm. 12 inch is één foot. 8” is 20 cm.
Inclinatie: is een maat van de schuine stand van het orbitaal vlak van een planeet ten opzichte van dat van de Aarde.
Inclinatie-as: is de hoek van de planeet-as die licht schuin staat ten opzichte van de baan van de planeet. Aangezien dit op Aarde ( en andere planeten) het geval is, kennen wij seizoenen.
Inertiaalkracht: (of schijnkracht) is een kracht die voor een waarnemer op raadselachtige manier aan een voorwerp trekt of afstoot, maar die veroorzaakt wordt doordat de waarnemer zelf in een versnelde beweging zit.
Infraroodstraling: is in feite warmtestraling. Deze straling wordt niet door stof tegengehouden. Waterdamp in onze atmosfeer absorbeert de straling wel.
Interferometrie: een techniek waarbij een aantal telescopen wordt gebruikt om samen een hoogopgelost beeld te vormen bijv. WRST Westerbork.
Intergalactische ruimte: is specifiek de ruimte tussen 2 sterrenstelsels. Doordat de over het heelal verspreide sterrenstelsels heel ver uit elkaar liggen, maakt de intergalactische ruimte veruit het grootste deel van het heelal zelf uit.
Interplanetaire ruimte: is de ruimte tussen de planeten, binnen het zonnestelsel.
Interstellaire ruimte: is alle ruimte in een sterrenstelsel die niet bezet wordt door sterren en hun planetenstelsels.
Ion: is een atoom, die een of meer elektronene mist, waardoor hij een positieve lading krijgt.
Irradiatie: of overstraling is het verschijnsel dat helder verlichte of sterk zelflichtende lichamen groter doet schijnen dan ze in werkelijkheid zijn.
Irragular (irr): onregelmatig.
Isotroop: een materiaal wordt isotroop genoemd als de materiaaleigenschappen niet van de richting afhangen, bijv. vloeistoffen en gassen, maar ook het heelal. (i.t.t. anisotroop)

J

Joviaanse planeten: Jupiter en Saturnus.
Jovigrafisch: is de beschrijving van Jupiter.
JPL Jet Propulsion Laboratory: in Pasadena is een onderdeel van Caltech (California Institute of Technology). Men bouwt en volgt er onbemande ruimtevaartuigen voor de NASA.

K

Kármánlijn: is een denkbeeldige grens op de hoogte van 100 km in de atmosfeer van de Aarde. Hij is bedacht om onderscheid te kunnen maken tussen luchtvaart en ruimtevaart. In die zin wordt de Kármánlijn wel beschouwd als het “begin van de ruimte”.
Katadioptische telescoop:
telescoop die zowel spiegels als lenzen gebruikt om een beeld te vormen.
Kernfusie: versmelting van lichte atoomkernen tot zwaardere kernen.
Kernfysica:
de studie van atoomkernen.
Kernschaduw/ slagschaduw of umbra:
bij kernschaduw ziet een waarnemer een totale eclips en bij de halfschaduw/bijschaduw of penumbra is er een hap uit. In de kernschaduw dringt helemaal geen licht door, bij een halfschaduw dringt nog wel iets van de lichtstralen door.
Kinematica:
bewegingsleer
Kinetische energie (of bewegingsenenergie):
is een vorm van energie die een lichaam heeft doordat het beweegt. Eenheid is joule.
Kirkwood gaten:
gebieden in de asteroïden-hoofdgordel waar weinig tot geen asteroïden worden gevonden.
Kleur-magnitude-diagram:
(KMD) wordt door sterrenkundigen gebruikt om de eigenschappen van een groep van waargenomen sterren te classificeren. In het diagram wordt de absolute helderheid van iedere ster uitgezet tegen de "kleur".
Knoop:
een knoop is een plaats waar de baan van een hemellichaam een referentievlak kruist. Klimmende knoop, dalende knoop en knopenlijn.
Knoopvlak:
is in de kwantummechanica in een orbitaal een vlak waar de waarschijnlijkheid om een elektron aan te treffen nul is. Over het algemeen geldt dat naarmate het aantal knoopvlakken van een orbitaal stijgt, ook de energie van een elektron in de betreffende orbitaal groter is.
Komeet:
Een object met een staart dat in een baan om de Zon draait. Staartster.
Kosmische inflatie:
is de theorie dat het ontluikende heelal een fase van exponentiële uitbreiding heeft doorgemaakt als gevolg van vacuüm-energie met negatieve druk.
Kosmogonie:
is de tak van astrofysica die zich bezighoudt met de studie van het ontstaan en de structuur van het heelal in zijn geheel.
Kosmologie: de wetenschap die de globale structuur en de evolutie van het heelal bestudeert.
Kwantum: in de fysica is een kwantum een ondeelbare hoeveelheid van een grootheid, zoals energie, impuls, enz. Een foton is een voorbeeld van een kwantum. Kwantum is afgeleid van het latijn dat vragend: hoeveel en relatief: zoveel als – betekent.
Kwantumelektrodynamica: zie QED
Kwantumgetallen: worden in de kwantummechanica gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes. Een stel kwantumgetallen karaktariseert een eigentoestand van een kwantummechanisch systeem volledig. Zij kunnen in tegenstelling tot de beschrijvende grootheden in de klassieke mechanica alleen discrete waarden aannemen.
Kwantummechanica:
een natuurkundige theorie die het gedrag van materie en energie met interacties van kwanta op zeer kleine afstandsschalen beschrijft.
Kwantumsprong: is een verandering van een elektron binnen een atoom van de ene kwantumtoestand naar de andere kwantumtoestand.

L

Labyrinthus: is een stelsel van elkaar doorsnijdende dalen of kloven.
LBT:
Large Binocular Telescope in Arizona heeft twee 8,4 meter spiegels.
LD:
Lunar Distance, is de afstand tussen Aarde en Maan. 1LD = 384.401 km.
LED:
Licht Emitterende Diodes.
Leefzone:
zie habitable zone.
Legrangepunt:
in zo’n punt kan een klein object (bijv. satelliet) zonder eigen aandrijving een vaste relatieve positie ten opzichte van twee hemellichamen houden die rond een gezamenlijk zwaartepunt draaien. Hierbij mag de satelliet niet veel massa en de juiste snelheid hebben. Bijv. SOHO staat in Legrange 1. Ieder twee lichamenstelsel heeft 5 Legrangepunten.
LEO (Low Earth Orbit):
Ruimtestations en sommige satellieten bevinden zich tussen 350 en 1400 km. De zgn. LEO. Al deze objecten bewegen met ongeveer 8 km/s en hierdoor duurt een volledige omgang rond de Aarde 90 minuten.
LGM Little Green Men:
naam gegeven aan een pulsar. Door de regelmaat van de pulsar dacht men eerst een buitenaards radiobaken te hebben ontdekt.
LHC:
Large Hadron Collider is een ondergrondse deeltjesversneller in de buurt van Geneve gebouwd door CERN.
Libratie:
= schommeling. Doordat de baan van de Maan om de Aarde niet geheel rond is, lijkt de Maan vanaf de Aarde te schommelen. Zo kunnen we 59% van het Maanoppervlak zien.
Licht:
is zowel een deeltje dat ‘rechtdoor’ reist (tenzij het wordt afgebogen door massa) als een golf zoals dat van geluid. Licht heeft geen massa.
Lichtjaar:
is een lengtemaat, geen eenheid van tijd. 1 lichtjaar is 9,5 biljoen kilometer. Is de afstand die het licht in een jaar aflegt. Bijv. Zon – Aarde = 8 lichtminuten, Maan – Aarde = 1,3 lichtseconden, Voyager 1 – Aarde = 15 lichtuur (in 2009), Proxima Centauri (dichtstbijzijnde ster) - Aarde = 4,3 lichtjaar. 1 lichtjaar = 63.241 AE.
Lichtseconde: is 299.792 km (300.000 km voor het gemak) is dus de lichtsnelheid.
Lichtsnelheid: is de maximale snelheid waarmee informatie van een systeem kan worden verzonden.
LMXB: low-mass X-ray binaries is de afkorting voor lichte röntgendubbelsterren vb. Sco X-1
LOFAR: Low Frequency Aray. (Exloo).
Lunatie: = synodische maand. Periode waarin de Maan alle schijngestalten doorloopt.
Lyman alpha blob: bestaat uit grote klonten gas en sterrenstelsels en vorm één van de grootste ooit ontdekte structuren in het universum.

M

MACHO’s: Massive Compact Halo Objects, zijn zware objecten in de Melkweghalo.
Magnetar:
is een neutronenster met een extreem sterk magnetisch veld.
Magnitude:
van een ster is het getal dat de helderheid van een ster aangeeft. Enkele hemellichamen zijn zo helder dat hun magnitude negatief is. Bijv. de Zon heeft een magnitude van -26,5 de volle Maan -12,5. Venus ongeveer -4, Sirius (helderste ster) -1,46, de planeet Uranus 6,1 en het I.S.S. -3. Magnitude betekent letterlijk grootte of omvang.
Maser: Microwave Amplification by Stimulated Emission of Radiation, vrij vertaald: versterking van microgolf door gestimuleerde uitzending van straling, is een apparaat dat een aantal atomen of moleculen in een aangeslagen toestand brengt om ze daarna door gestimuleerde emissie in een kettingreactie weer naar de grondtoestand te brengen. de werking is gelijk aan de laser die met licht werkt  alleen de golflengte van de microgolven is met de maser langer.
Massa:
is een natuurkundige grootheid die een eigenschap van materie aanduidt. Massa en gewicht worden vaak door elkaar gehaald. De Aarde heeft wel massa, maar geen gewicht. Gewicht wordt uitgedrukt in Newton, massa in kilogram.
Melkweg: naam van het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden. Is een samenstelsel van miljarden sterren.
Messier-objecten:
zijn een groep astronomische objecten gecatalogiseerd door kometenjager Charles Messier (1730-1817). Het zijn voornamelijk sterrenstelsels, sterrenhopen en nevels, 110 objecten.
MET: Midden-Europese Tijd, bij ons wintertijd. De rest van het jaar is het MEZT. Met loop 1 uur voor op de UT en 2 uur op MEZT (zomertijd).
Metaal: wordt in de astronomie vaak bedoelt met alle andere elementen dan helium en waterstof.
Meteoor:
Een helder spoor in de nacht, ontstaan door het opbranden van gruis of rots in de atmosfeer ( “vallende ster”).
Meteoride: Object in een baan om de Zon, met een omvang van gruis tot een doorsnee van ongeveer 100 meter.
Meteoriet: Een stuk rots of metaal dat op de Aarde (of andere planeet) neer stort.
Microlensing: levert meerdere afbeeldingen van een achterliggend voorwerp op. In dit geval
fungeert de ster of planeet als lens.
Middel(n)puntvliedende kracht of centrifugale kracht: is een schijnbare kracht die voorwerpen ervaren als ze een bocht maken, bijv. wasgoed in een droogtrommel.
Molecuul: is de kleinste hoeveelheid van een stof. Als een molecuul verder opgedeeld wordt, is het niet meer van die stof.
Monopool: is een hypothetisch elementair deeltje dat één magnetische pool bevat - slechts een noord of een zuidpool - niet allebei.
Mons: een afzonderlijke berg of vulkaan.
Montes: bergketen.
Muon: is een vluchtig deeltje met een levenslengte van amper een miljoenste seconde voordat hij snel verandert in een elektron en een paar neutrino’s.
MXRB: Massive X-ray binaries, is de afkorting voor zware röntgendubbelsterren bv. Cyg X-1
Myriade: is een aanduiding voor ontelbaar, of als aanduiding voor 10.000.

N

Nadir: is het punt recht tegenover zenit: het punt recht onder de waarnemer.
NASA:
National Aeronautics and Space Administration opgericht op 1 okt. 1985.
Natuurkunde of fysica:
is de meest fundamentele wetenschap. Materie en energie gehoorzamen bepaalde natuurwetten. Op de kleinste schaal is dat kwantummechanica op grootste schaal is dat zwaartekracht. Het is een exacte wetenschap. Van oorsprong is het de wetenschap die algemene eigenschappen onderzoekt van materie, zoals evenwicht en beweging, straling, warmte, licht, magnetisme en elektriciteit, voor zover hierbij geen scheikundige veranderingen optreden. Dit wil zeggen dat de moleculaire samenstelling van stoffen niet veranderd. Wat er binnen atomen, waaruit moleculen zijn samengesteld, wordt wel weer tot de natuurkunde gerekend. Natuurkundigen bestuderen het gedrag en de wisselwerking van materie en energie in ruimte en tijd. Astronomie valt dus onder natuurkunde.
NEAR: Nearearth Asteroid Rendezvous, eerste ruimtevaartuig die op een planetoïde van de planetoïdengordel landt. In 2001 op Eros.
NEB: Noordelijke Equatoriale band, één van de twee donkere banden op Jupiter.
NELM: Naked Eye Limited Magnitude.
NEO:
Near Earth Object.
Neutrino’s: elektrisch ongeladen deeltjes met een verwaarloosbaar kleine massa zijn ontstaan tijdens de oerknal, maar worden ook geproduceerd bij supernova-explosies en bij kernfusies in het inwendige van de Zon. Het is een ongeladen subatomair deeltje, heeft een spin van 1/2 en is daarmee een fermion. Het is ook een lepton aangezien zijn massa groter is dan nul.
Neutronen: als elektronen en protonen worden samengeperst vormen ze neutronen.
New Horizons: is de snelste sonde die ooit gelanceerd is. De snelheid was tot aan Jupiter 57.600 km/u en daarna 75.200 km/u. Hij is onderweg naar o.a. Pluto.
Nieuwe maan: is één van de schijngestalten van de Man. Als de Maan precies tussen de Aarde en de Zon staat, is alleen de schaduwkant van de Maan te zien. De Maan is feitelijk niet te zien. Zonsverduisteringen vinden alleen plaats tijdens nieuwe maan.
NLC’s: Noctilucent Clouds. Oplichtende nachtwolken worden in de hoogste lagen van de atmosfeer gevormd (82 km hoogte).
NOVA: Nederlandse Onderzoekschool voor Astronomie.
Novae:
(=nieuw) nemen binnen een bepaalde tijd toe in helderheid van 7 tot 16 magnitudes en ze kunnen zich herhalen.
Nucleaire fusie: een nucleair proces waarbij verschillende kleine kernen gecombineerd worden om een grotere kern te vormen waarvan de massa iets kleiner is dan de som van de kleinere. Het verschil in massa wordt geconverteerd naar energie door Einsteins formule E=MC2. Nucleaire fusie is de reactie dat de Zon aandrijft, waar zuurstofkernen fuseren tot helium.
Nucleosynthese: is het opbouwen van kernen van zwaardere elementen uit lichtere (nucleus is “kern” en synthese is “samenstelling”). Alle elementen zwaarder dan waterstof, helium en lithium zijn niet in onze Zon ontstaan, want zij is nooit verder gekomen dan de omzetting van waterstof in helium.
Nucleus: is de kern van atomen met daarin protonen en neutronen.
Nutatie: een periodiek knikkebollen van de Aardas (periode 18,6 jaar) door ondermeer storing van de Maan.

O

OAG: Off Axis Guider
Occultatie of bedekking:
is een astronomische gebeurtenis die men kan waarnemen wanneer een niet-lichtend hemellichaam tussen de waarnemer en een verder gelegen lichaam –lichtend door ofwel straling ofwel weerkaatsing van het licht – passeert.
Oculair projectie: het fotograferen met de camera door het oculair.
Olivijn(olivien/peridot): is een kristal/mineraal, groenig met glasachtige glans.
Omega: alles is afhankelijk van de massadichtheid van het heelal. Omega is de gemiddelde massadichtheid van het heelal gedeeld door een kritische waarde van die dichtheid.
Ontsnappingssnelheid:
is de minimale snelheid waarmee een niet-aangedreven voorwerp van hemellichaam af blijft bewegen en niet naar het hemellichaam terugvalt. Voor de Aarde is dat 11,2 km/s, voor de Zon 600 km/s.
Openingsverhouding: (eng. focal ratio) is een getal dat men krijgt door de brandpuntafstand van de telescoop in millimeters, te delen door de diameter van het objectief in millimeters.
Open sterrenhoop: losse groep van enkele dozijnen tot honderden jonge sterren.
Oppositie:
= tegenover. De Aarde staat tussen de Zon en de planeet.
Optica:
is de tak in de natuurkunde die vooral beschrijft hoe licht zich gedraagt op macroscopische schaal. De optica beschrijft meestal het gedrag van zichtbaar, infrarood en ultraviolet licht. Optica is dus eigenlijk een specialisatie van elektromagnetisme.
Optische (visuele) dubbelster: de sterren staan ogenschijnlijk dicht bij elkaar.
Orbitaal: is een begrip in de natuurkunde om een betekenis te geven aan de baan van een elektron in een atoom. Denk: het blad van een ventilator. Door de snelle beweging "lijkt" het blad zich overal tegelijk te bevinden.
Oriënteren:
is het oosten zoeken.
OTA: Optical Telescope Assembly
Overgang: bijv. Venusovergang is als we vanaf de Aarde Venus over de zonneschijf zien trekken.
Overstraling: zie irradiatie.

P

Pangaea: was 200 miljoen jaar geleden het enige landoppervlak op Aarde.
Panspermie:
theorie houdt in dat leven verspreid in het heelal voorkomt en dat het leven op Aarde niet op de Aarde zelf is ontstaan. Het leven op Aarde is het gevolg van een “besmetting” met organismen uit de ruimte. Het leven op Aarde kent sindsdien wel zijn eigen evolutie.
Paraboolvlucht:
is het in vrije val brengen van een vliegtuig, zodat in dit vliegtuig microgravitatie (gewichtloosheid) heerst.
Paradigma:
die formuleert regels voor hoe onderzoek wordt bedreven en bepaalt welke vragen interessant en betekenisvol zijn. Dat helpt om inspanningen te richten en te voorkomen dat men op goed geluk rondtast.
Parallax of verschilzicht:
is het verschijnsel dat de schijnbare positie van een voorwerp ten opzichte van de achtergrond varieert als men vanuit verschillende posities bekijkt. Bijv. uit een rijdende trein lijken ver verwijderde objecten (bergen) met de trein mee te bewegen. In de astronomie gebruikt men het parallax-verschijnsel om afstanden te meten. Bijv. hand voor je ene oog en dan het andere oog, dan zie je dat het beeld verspringt.
Parhelische ring:
  ook circumzenitale boog, is een grote zwakke ring van wit licht die ontstaat door de reflectie van zonlicht tegen ijskristallen in de atmosfeer. Deze cirkel loopt door de Zon en de bijzonnen en soms op dezelfde hoogte rond de gehele hemel.
Parsec:
afkorting van paralax-seconde = een afstandsmaat. 3,26 lichtjaar of 30,9 biljoen km of 206.265 AE.
Peculiar (pec.): eigenaardig.
Penumbra: of halfschaduw. Is het gedeelte van een schaduw waarin niet de gehele lichtbron afgedekt is. Dit type schaduw ontstaat wanneer een lichtbron niet als puntvormig wordt waargenomen waardoor delen van de schaduw blijven beschenen door een gedeelte van de lichtbron.
Perifeer: perifeer waarnemen is net naast het object kijken. Doordat de “gele vlek” in het oog minder gevoelig is voor licht, dan de staafjes er naast.
Perihelium: Het dichtst bij gelegen punt van een planeet in haar baan om de Zon. Peri = dichtbij (Grieks).
Pertubaties: omloopstoornissen. Bijv. in de planetoïdengordel zitten plekken met een schaarse verdeling van objecten veroorzaakt door Jupiter.
Planeet: een hemellichaam die een baan om de Zon beschrijft en bij benadering bolvormig is. Ze krijgen vaak de naam van Romeinse of Griekse goden. Een planeet moet een dusdanige zwaartekracht hebben, dat zijn omloopbaan vrij gemaakt is van overig materiaal, waardoor hij het overheersend object in zijn omgeving is.
Planemo: (planetary mass object) planeet zonder centrale ster.
Planetaire differentiatie: is het proces waarbij dichtere bestanddelen zinken naar de planeetkern terwijl de minder dichte materialen naar de oppervlakte stijgen.
Planetaire nevel:
een P.N. ontstaat als een ster tijdens haar laatste levensfase een veelkleurige gasnevel uitstoot. Bijv. Ringnevel (M57).
Planetarium: is een schaalmodel van het zonnestelsel. Bij een koepelvormig projectiescherm wordt gebruik gemaakt van Zeiss-projectoren.
Planetensimalen: zijn objecten waarvan men denkt dat zij het begin van de samenklitting, (door botsingen en zwaartekracht) van deeltjes die in de accretieschijf van de stellaire nevel ronddraaien, zijn.
Planetoïden of asteroïden: zijn kleine planeetjes die bijna allemaal tussen de banen van Mars en Jupiter om de Zon bewegen.
Planetoïdenfamilie: of Hirayamafamilie, is een groep planetoïden met banen die sterk op elkaar lijken.
Planitiae: is een laagvlakte.
Planum: is een hoogvlakte.
Platonisch jaar: is de omwenteling van de aardas die 25.784 jaar duurt. Nu wijst de aardas naar Polaris.
Pleiadengroep: zie Hyadengroep.
PNN: Planetary Nebula Nucleus is de centrale ster in een planetaire nevel.
Positron: is het antideeltje van het elektron. Het heeft dezelfde massa, maar een tegengestelde lading. Het wordt weergegeven als e+.
Precessie: standverandering van de draaiingsas. De beweging die de draaias van een roterend voorwerp maakt onder invloed van een uitwendige kracht. Bij de Aarde is deze niet verticaal door de kracht van de Zon.
Progenitor: is een status van een hemellichaam voorafgaand aan het referentiepunt. Zo is Sanduleak (LMC) een progenitor van Supernova SN1987 A.
Prograad:
is vooruitlopend/ rechtlopend. Bijv. een maan draait met zijn planeet mee in dezelfde richting.
Protuberans: is een lange, grillig gevormde materiebrug in de atmosfeer van de Zon.
PSA: Pocket Sky Atlas (Sky and Telescopes).
Puntbron: een begrip uit de theorie van trillingen en golven, is een in één punt geconcentreerd gedachte trillingsbron, bijv. van geluid, licht of van watergolven, waarvandaan de energie zich in alle richtingen gelijkelijk uitbreidt.

Q

QED Quantumelectrodynamics: is een relativistische kwantumveldentheorie van het elektromagnetisme. Deze theorie is een integratie van de relativistische versie van de wetten van Maxwell met de theorie van de kwantummechanica.
Quasisateliet:
is een planetoïde die in dezelfde tijd als een planeet om de Zond draait. Bijv. Cruithne bij de Aarde.
QSO’s:
(quasi-stellar objects) zijn vergelijkbaar met quasars maar zenden geen ongewoon hoge hoeveelheid radiostraling uit en heten daarom ook wel “radiostille quasars”.
Quarks:
zijn bouwstenen van de protonen en neutronen. Ze hebben 6 "smaken" en 3 "kleuren" te weten: Up, Down, Strange, Charme, Top en Bottom en rood, groen en blauw.
Quasars:
(quasi-stellar radiosource) zijn na gammaflitsen en supernova de helderste en verste objecten die we kunnen waarnemen. Is een object dat in optische telescopen op een ster lijkt maar een zeer hoge roodverschuiving heeft en zich dus op zeer grote afstand aan miljarden lichtjaren bevindt.

R

Radiant of vluchtpunt: een meteorenzwerm lijkt uit één punt aan de hemel te komen, bijv. treinrails lijken in de verte bij elkaar te komen.
Radioastronomie:
is het deelgebied van de astronomie dat met radiogolven het heelal bestudeert.
Radiotelescoop: is een radioantenne en ontvangstinstallatie speciaal voor het waarnemen van kortegolf-radiosignalen, afkomstig van astronomische objecten bijv. Dwingeloo.
Randverduistering of randverzwakking: is het verschijnsel dat de helderheid van een hemellichaam met een atmosfeer, zoals de Zon, sterren en sommige planeten en manen, naar de rand toe minder wordt.
Rayleighverstrooing:
is de verstrooing van licht door deeltjes die kleiner zijn dan de golflengte van het licht. Het treedt op wanneer licht door een transparante vloeistof of vaste stof gaat, maar kan het duidelijkst worden waargenomen bij gassen. Rayleighverstrooing in de atmosfeer is de reden waarom de onbewolkte lucht blauw is.
Rechte klimming (R.A.): is een hemelcoördinaat te vergelijken met de geografische lengte of breedtegraad op Aarde. Het geeft de positie van het onject ten oosten van het snijpunt van de ecliptica met de hemelevenaar aan. Dit punt wordt Ram of Aries genoemd. RK coördinaten worden aangeduid in uren, minuten en seconden, met opklimmende waarden naar het oosten toe t/m 23u59m59,9s.
Redshift/roodverschuiving: beweegt een ster van ons weg dan zien we een rood emissiespectrum. In theorie: als men hard genoeg rijdt, lijkt een rood stoplicht groen.
Reflectienevel: weerkaatst licht van nabij gelegen sterren. Vaak de plaats van ontstaan van nieuwe sterren.
Reflectorkijker: beeld gevormd door spiegels.
Refractorkijker: beeld gevormd door lenzen.
Regoliet: stoflaag. Een laag los en verweerd materiaal op een planeet.
Regulus: is Latijn voor kleine koning.
Remstraling: is een vorm van e.m. straling die wordt uitgestraald als een geladen deeltje een acceleratie of deceleratie ondergaat.
Resoneren: reageert op trillingen (vibraties). Een trillend voorwerp zal bij een ander voorwerp resonantie teweegbrengen. (denk stemvork).
Retrograad:
is teruglopend. Bijv. als een maan retrograad is, dan draait hij tegen de draairichting van zijn moederplaneet in.
Rille: een rille op de Maan is een kronkelend kanaal met een lengte van vele tientallen, soms honderden kilometers. De breedte kan enkele kilometers bedragen.
Rochelimiet: is de afstand waarbinnen een hemellichaam dat samengehouden wordt door de eigen zwaartekracht zal desintegreren door de getijdenkrachten van een tweede, zwaarder hemellichaam. Binnen de Rochelimiet zal omlopend materiaal zich verspreiden tot een ring. Er buiten zal materiaal samenkomen (en een hemellichaam vormen).
ROI Region of Interest: Bijv. als een asteroïde een ster bedekt, dan is dit maar in een beperkt gebied zichtbaar, de zogenaamde ROI.
Röntgenastronomie: is een jonge tak van de observationele sterrenkunde, die hemellichamen bestudeert aan de hand van de röntgenstraling die zij uitzenden of wegvangen (absorberen).
Röntgenstraling: is een soort onzichtbaar licht (e.m. straling) met een golflengte korter dan blauw- en u.v. –licht, maar langer dan gammastraling. Het kan ontstaan bij bijv. zwarte straling van lichamen met een temperatuur van miljoenen graden, of bijv. bij remstraling.
Rupes: is een klifachtige rotswand in het Latijn.
Rustmassa: is de massa van een deeltje dat zich in rust bevindt.

S

SAO-catalogus: is een stercatalogus in 1966 samengesteld door het Smithsonian Astrophysical Observatory te Harvard en bevat gegevens van 258.997 sterren.
Saros-cyclus:
beschrijft de regelmaat van zowel zons- als maansverduisteringen. De periode van 18 jaar + 8 uur heet Saros, dan staan Maan en Aarde weer op vrijwel dezelfde positie.
Schaal van Kardasjev: is een door de Rus voorgestelde indeling voor de indeling voor de technologische ontwikkeling van beschavingen.
Schaal van Torino: is een manier om het inslagrisico van planetoïden en kometen te beoordelen.
Scattered disk: ook wel SDO’s (scattered disk objects, verstrooide schijfobjecten) zijn een groep planetoïden in de buitenste regionen van het zonnestelsel. De grootste is Eris.
Schijngestalte:
is de schijnbare vorm van een hemellichaam, bijv. Maan, Venus en Mercurius.
Scintillatie: is het fonkelen van de sterren en wordt veroorzaakt door onze eigen dampkring.
SCT: Schmidt Cassegrain Telescopes. Spiegelkijkers. Typische kijkers met een korte bouw en een lange brandpuntsafstand. Bijv. van Meade of Celestron.
SEB: zie ZEB
Seeing: is de kwaliteit bij waarneming door de telescoop (bij slechte meestal door aardse turbulentie). Is luchtturbulentie.
Selenografie: (selene = maan) maanbeschrijving; de wetenschap die het oppervlak en het reliëf van de Maan bestudeert.
Serendipiteit: is het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders. Bijv. de ontdekking van kosmische achtergrondstraling.
Siderische omlooptijd: is de tijd waarin de planeet de gehele dierenriem doorloopt en op dezelfde plaats terugkomt ten opzichte van dezelfde ster, gezien vanaf de Zon.
Siderische rotatieduur: van de planeet is de tijd waarin de planeet eenmaal om haar as draait ten opzichte van de sterren.
Siderofiel element:
is een scheikundig element dat niet goed met zuurstof of zwavel verbindt en goed oplosbaar is in gesmolten ijzer. Veel te vinden in ijzermeteorieten en in de Aardkern.
Singulariteit: -in de kosmologie- is een punt in de “ruimte-tijd” waar de natuurwetten hun geldigheid verliezen. Een singulariteit heeft een oneindig klein volume en een oneindige dichtheid. De ruimte-tijd erin is oneindig sterk gekromd en ruimte en tijd houden daar op te bestaan. Theorie: oerknal ontstaan
uit singulariteit?
Sirius: is Grieks voor gloeiend.
Siriusgroep: zie Hyadengroep.
SKA: Square Kilometre Array.
Slagschaduw: zie kernschaduw.
Slinger van Foucault: toont aan dat de Aarde draait.
Snelheid: is een lengte gedeeld door een tijd. En om een lengte te bepalen moet je begin en eindpunt gelijktijdig vastleggen.
SNR: Super-Nova-Restant.
Sol: (tijdseenheid) is de lengte van een zonnedag op Mars en is de tegenhanger van een dag op Aarde. Een sol duurt 24 uur 39 min. En 32,5 sec. (ongeveer 2,7% langer dan op Aarde). Het Martiaanse jaar telt 668 of 669 sols.
Solstitium: zonnewende van zomer en winter.
Spectra: kleuren.
Spectroscopie: het ontbinden van licht in zijn verschillende samenstellende kleuren.
Spectroscopische dubbelster: is alleen te zien dat ze dubbel zijn door een spectroscoop.
Spiculen: de waaier van kleuren geproduceerd wanneer visueel licht doorheen een prisma gaat.
Spin: is een fundamentele eigenschap van atoomkernen, hadronen en elementaire deeltjes.
Sporadische meteoren: horen niet bij een zwerm.
SQM: is Sky Quality Meter.
SB: Surface Brightness (oppervlaktehelderheid) i.t.t. magnitude.
SSSB: Small Solar System Bodies (bijv. kometen en planetoïden).
Sterke kerrnkracht: is de kracht die protonen en neutronen bij elkaar houdt.
Sterrenwacht: is de plaats die speciaal voor het bekijken van sterren is gebouwd. Al sinds 7000 v. Chr. In Klein-Azië en in Europa sinds 5500 v. Chr.
STF: Struve.
Straling: is het uitzenden van energie als golven (e.m. straling) of als deeltjes. Straling is energieoverdracht zonder dat er sprake is van direct contact.
Subaru: is Japans voor Zevengesternte (ofwel Pleiaden, M45, de 7 gezusters).
Subatomair deeltje: is een deeltje dat kleiner is dan het atoom. Bijv. fermionen en bosonen.
Sub-boogseconde dubbelster: is een dubbelster nauwer dan 1.0”.
Sublimatie: is de directe overgang van een vloeistof uit de vaste fase naar een gasvormige fase, bijv. bij kometen.
Superaarde: is een planeet met rond 5 maal de massa van de Aarde. Nu (2009) 9 bekend.
Supergeleiding: is het verschijnsel dat de elektrische weerstand van sommige materialen beneden een bepaalde (lage) temperatuur opeens helemaal verdwijnt. Het wil zeggen dat als er stroom op gang gebracht wordt in een gesloten kring die bestaat uit supergeleidend materiaal, deze stroom ook zonder aangelegde elektrische spanning zal blijven rondlopen.
Superluminaal:
sommige quasars en blazars tonen bundels materiaal die sneller dan het licht van de kern af lijken te bewegen. Deze schijnbare beweging wordt superluminaal genoemd. In werkelijkheid is het een illusie die ontstaat wanneer bundels met zeer hoge snelheid (tot 99% van de lichtsnelheid) vrijwel recht op ons af komen.
Supernova overblijfselen: ontstaan aan het eind van het leven van massieve sterren. De
oorspronkelijke massa van een ster wordt de ruimte in geslingerd. Bijv. Krabnevel (M1).
Supersymetrie: stelt dat er een nauw verband is tussen fermionen en bosonen. In een supersymetrische wereld is er voor elk soort fermion een soort boson die precies dezelfde lading en massa heeft. Bijv. het foton, dat een boson is, heeft als partner een fotino.
Superwind:
bij sommige Starburst sterrenstelsels is een extreem hoge activiteit gevonden en werd een gaswolk weggeblazen uit het sterrenstelsel. Dit noemen we superwind.
Synchrone rotatie: is als een maan telkens dezelfde kant naar zijn moederplaneet keert, zoals onze Maan. De rotatie van de Maan om zijn rotatie-as loopt synchroon met de rotatie van de Maan om de Aarde heen. De omwentelingssnelheid van de Maan = de omlooptijd van de planeet.
Syzygie: als tenminste 3 hemellichamen zich in een rechte lijn ten opzichte van elkaar bevinden.

T

Tautologie: in de logica is een redenering waarvan de logische structuur dusdanig is dat deze niet onwaar kan zijn. Bijv. het regent of het regent niet.
Teleologisch:
aannemend dat het universum een doel heeft.
Telrad:
is een zoeker, zonder vergroting, die een set van 3 concentrische cirkels op een kaart of de hemel projecteerd.
Temperatuur:
is een maat voor hoe warm of koud iets is. Natuurkundig gezien is het een maat voor de gemiddelde chaotische bewegingsenergie (t.g.v. de Brownse beweging) per molecuul plus de beweging van atomen in moleculen.
Tensor:
is een begrip uit de lineaire algebra. Tensoren zijn de centrale objecten in de algemene relativiteitstheorie. in de natuurkunde is het meer een benadering van het begrip. De Einstein-tensor is een tensor die de kromming van de ruimte uitdrukt.
Terminator:
is de scheidingslijn tussen het verlichte en donkere deel op de Maan.
Terrestrische (Aardse) planeten:
Mercurius, Venus, Aarde en Mars en de dwergplaneten Pluto, Ceres en Eris.
Tesla: is de eenheid van magnetische fluxdichtheid en magnetische polarisatie, vernoemd naar Nikola Tesla. De sterkste door de mens gemaakte magneten zijn 100 tesla. Een magnetar zou 10 miljard tesla genereren.
Tijdsdilatatie: (dilatatie = uitrekking) is het verschijnsel dat voor een waarnemer de tijd voor een object dat ten opzichte van de waarnemer beweegt, trager verloopt.
TNO’s: Trans Neptunische Objecten, objecten buiten de baan van Neptunus, bijv. Pluto en objecten in de Kuipergordel.
TOE: Theory of Everything ook unificatie theorie. Probeert alle 4 de natuurkrachten te verenigen.
Toengoeska-explosie: door een ontploffing van een meteoriet op een hoogte van enkele kilometers werden in Siberië bomen ontworteld in een omtrek van 30 tot 40 kilometer.
Topologie: (Grieks: topos = plaats en logos = studie) is de tak van de wiskunde die zich bezighoudt met eigenschappen van de ruimte die bewaard blijven bij continue vervorming (dus de grote schaalstructuur van het heelal).
Trojanen:
zijn planetoïden die zich in de Legrangepunten L4 en L5 van de baan van een planeet bevinden en op 60º boogafstand met de planeet mee bewegen.
Tweemaal gereflecteerd zonlicht: zie asgrauw schijnsel.
Twilight zone: is als de planeet dicht bij de horizon staat en dus niet (goed) meer te zien is.

U

Umbra: zie kernschaduw.
Universele tijd:
wordt door astronomen als standaard tijdmeting gebruikt. Ook wel UTC, UT.
Uranografie: hemelcartografie. Bijv. Wil Tirion is een vooraanstaand maker van sterrenkaarten.

V

Valversnelling: (zwaarteveldsterkte) is de sterkte van het zwaartekrachtveld. Het is de versnelling waarmee voorwerpen naar de Aarde vallen in “vrije val”, (dus geen andere krachten). Dus alle voorwerpen vallen in een vacuüm gelijke snel. 9,8 m/s² op Aarde en men duidt dit aan met g.
Vanderwaalskrachten: zijn zwakke tot zeer zwakke krachten tussen atomen of moleculen.
Vector:
(lat. drager) is in de wiskunde een element van een vectorruimte en daarmee een weinig specifiek begrip. Het zijn punten in een driedimensionale ruimte die aangegeven worden met pijlen. Zo'n pijl stelt een grootheid voor die zowel de grootte als richting heeft, zoals verplaatsing, snelheid, versnelling, kracht, e.d.
Venusgordel of riem:
is de “roze” strook, boven de donkere strook van de horizon, kort na zonsondergang of kort voor zonsopkomst. Ongeveer 10º - 20º boven de horizon. Het komt van het weerkaatsen van het rodig licht van de Zon.
Veranderlijke of variabele sterren:
zijn sterren waarvan de helderheid aan variaties onderhevig is.
Vignettering: of lichtafval is het afnemen van de helderheid in de hoeken ten opzichte van het midden.
Vrije val: is de toestand waarin op een lichaam (voorwerp) geen enkele externe kracht wordt uitgeoefend, behalve de zwaartekracht. De versnelling van het lichaam is in dat geval gelijk aan de valversnelling ten gevolge van de zwaartekracht, want er is geen andere kracht die de beweging tegenwerkt. Parachutesprong “vrije val” valt daar niet onder, vrij betekent daar zonder parachute.
Vrije wil: is het vermogen van rationeel handelende personen om controle uit te oefenen over hun daden en beslissingen.

W

Waarnemingshorizon (of gebeurtenishorizon/event horizon): is in de kosmologie de grens van waarachter informatie (in de vorm van materie of licht) een bepaald ander punt niet meer kan bereiken.
Waarschijnlijkheidsamplitude:
de kans dat men het systeem (bij een meting) in een bepaalde toestand aantreft.
Warmtedood:
is een mogelijk einde van het heelal dat wordt veroorzaakt door de toename van entropie.
Wassen:
het wassen van de Maan is het toenemen van het door de Zon verlichte deel van het maanoppervlak vanuit de Aarde gezien. “Wassen” is een synoniem voor “groeien”.
Wet van Hubble:
is de verhouding van de snelheid waarmee een bepaalde lengte groter wordt door de uitdijing van het heelal en de grootte van die afstand. In het bijzonder is het de verhouding tussen de snelheid waarmee een ver verwijderd sterrenstelsel zich van ons af beweegt en de afstand tot dat sterrenstelsel.
Wet van Newton:
F=m.a (Fis de kracht m de massa en a de versnelling).
WIMP’s:
Weakly Interacting Massive Particle, gebruikt in de mogelijke verklaring van de problematiek rond donkere materie.
Wit gat:
is een hypothetisch hemellichaam dat energie, sterren en andere materie uitspuwt.
WSRT: Westerbork Synthese Radio Telescoop (14 geschakelde radiotelescopen).

X

 

Y

Ijsreuzen: Uranus en Neptunus.

Z

ZEB: Zuidelijke Equatoriale Band. Eén van de twee donkere stroken op Jupiter.
Zenit:
het punt recht boven de waarnemer.
Z.H.R.:
Zenithal hourly rate is de maat voor de activiteit van meteorenzwermen.
Zodiak:
zie constellaties.
Zone of Avoidance: is een stuk van 20% van de sterrenhemel dat niet gezien kan worden door de stof en sterren van de schijf van de Melkweg.
Zonnefakkel of facula: is een helder vlokkerig gebied op de Zon, dat iets helderder is dan de omliggende fotosfeer.
Zonnepilaar: wanneer de lucht ijskoud is en de Zon op- of ondergaat, dan kunnen vallende ijskristallen zonlicht reflecteren en een pilaar van licht produceren. Kan ook bij de Maan of zelfs straatverlichting.
Zonnevlam: flare, is een explosie op het oppervlak van de Zon, die ontstaat door het plotseling vrijkomen van de energie die wordt vastgehouden in de magnetische velden.
Zonnevlekken: zijn gebieden van intense magnetische activiteit die de convectie verhindert, waardoor het energietransport van de hete binnenkant naar de oppervlakte beperkt wordt.
Zwaartekracht:
of gravitatie is een aantrekkende kracht die 2 massa’s op elkaar uitoefenen. De zwaartekracht is één van de vier natuurkrachten.
Zwaartekrachtlens (gravitatielens): is een zeer sterk zwaartekrachtveld, zoals dat van een sterrenstelsel of een zwart gat, dat het licht van een daar achterliggend voorwerp afbuigt.
Zwaartekrachtsgolven: zijn minieme verstoringen in de structuur van de ruimte-tijd, veroorzaakt door grote massa’s die sterke versnellingen ondergaan.
Zwaartekrachtsveld (gravitatieveld): is een natuurkundig krachtveld dat van invloed is op de beweging van alles wat zich in dat veld bevindt (ook licht).
Zwart gat: is een bijzonder hemellichaam waaruit geen licht of materie kan ontsnappen als gevolg van zijn sterke zwaartekrachtsveld. Om het zwarte gat ligt een bolvormig gebied waaruit ontsnappen niet mogelijk is: de waarnemingshorizon.
Zwarte straler: of zwart lichaam is een voorwerp dat alle e.m.-straling die er op valt, absorbeert (dus niet reflecteert).

Moon Phase

Volle Maan
Volle Maan
13 dagen oud
Powered by Saxum

Willekeurige Photo